Het terrein begrensd door de Ruiterstraat, Bovenbeekstraat en de achterzijde van de huizen van de Ketelstraat behoorden vroeger tot het zogenaamde Hof van Anholt. Dit was een complex bestaande uit een hoofdgebouw met verschillende binnenplaatsen en dienstwoningen. In 1616 werd op een erf van dit terrein tussen de Ketel- en Ruiterstraat het Burgerweeshuis, wat vanaf 1558 in de Bakkerstraat had gestaan, overgebracht. In de loop van de 17de eeuw raakte het hof in verval. In 1843 werd daarom het weeshuis ondergebracht in een op de Bovenbeekstraat aangekocht woonhuis. Het verlaten terrein kreeg de naam Weezenstraat. De Arnhemse burgmeester en koopman en Cornelis van der Hart (1706-1783) had deze fraaie patriciërswoning omstreeks 1758 op een deel van het voormalige terrein van het Hof van Anholt - waar ook zijn zeepziederij was gelegen - laten bouwen. Hij liet het huis optrekken in een Lodwijk XV-stijl (rococo). Bij het overlijden van Van der Hart werd het huis toebedeeld aan Jan Hendrik Cremer, die getrouwd was met Wilhelmina van der Hart. Tot 1843 bewoonde de familie Cremer, waaruit ook de latere minister Jacob Theodoor Cremer voortkwam, het huis. Het pand bestond uit acht kamers, kelders en een ruime zolder, een washuis, mangelkamer en watervoorzieningen zoals een regen- en een welwaterpomp. De woning werd in 1843 geschikt gemaakt als Weeshuis en werd vergroot zodat het 45 kinderen kon herbergen. De regenten van het burgerweeshuis lieten al richtten de pronkkamer, met de beschilderde behangsels met scènes uit het leven van Alexander de Grote, in als bestuurskamer. De weesvader en -moeder namen hun intrek in de eetkamer aan de achterzijde en de secretaris-rentmeester koos als werkplek de linkerkamer aan de voorzijde. De weesmeisjes sliepen op de eerste etage, de jongens in het aangrenzende pand. Overdag waren de meisjes te vinden in de zogenaamde tuinzaal die als naaikamer dienst deed. Een frisse neus konden de wezen halen in de lommerrijke stadstuin met hoge bomen achter het huis, waar ze kleine tuintjes beheerden. In 1920 verhuisde het weeshuis naar de Utrechtsestraat 21 (hoek Vijfzinnenstraat) en kwam het pand wederom in handen van een afstammeling van de vroegere eigenaren van het Hof van Anholt, de firma Van der Hart uit de Ketelstraat. In de tweede helft van de 20ste eeuw stond het pand jarenlang leeg, was een tijd gekraakt, totdat in 1991 Vereniging Hendrick de Keyzer het pand kocht voor het symbolische bedrag van een gulden van de gemeente Arnhem met de verplichting het pand geheel te restaureren. Na de restauratie in 1994-1995 werd het Historisch Museum Arnhem in het gebouw gevestigd. Uitgangspunt bij de restauratie onder leiding van de architect W. Kramer uit Amersfoort was om het pand grotendeels terug te brengen in de staat waarin het ten tijde van Cornelis van der Hart verkeerd moet hebben. De indeling is zoveel mogelijk gehandhaafd en daar waar mogelijk hersteld. Het huis heeft een heldere plattegrond met een voor- en achterkamer aan weerszijden van de hal. De indeling van de bel-etage wordt in de kelder en de eerste verdieping herhaald. Bij de restauratie is veel aandacht besteed aan het herstellen van de nog aanwezige authentieke interieuronderdelen. Als bijzonderheid waren daarbij de beschilderde behangsels met de Alexander de Grote voorstellingen. Ook het vervuilde en afgebladderde Lodewijk XV-stucwerk is zorgvuldig gerestaureerd. Met het opnieuw aanbrengen van de houten lambrizeringen en het marmeren van de schouwen werd de restauratie vervolmaakt. Vooral het kleurenonderzoek heeft verrassende resultaten opgeleverd. Onder de vele lagen vergeelde verf bleken zich sprankelende verfresten te bevinden, waaruit geconcludeerd kon worden dat het woonhuis in de achttiende eeuw in heldere kleuren beschilderd is geweest: geel, groen, blauw en wit.
|
 |
Burgerweeshuis Interieur 19e eeuw
|
Het voormalige Burgerweeshuis heeft een kubusvorm en is opgetrokken uit rode baksteen. Kleine verspringingen van de gevel, de boven elkaar geplaatste ramen maar vooral de rijk gedecoreerde middenpartij onderstrepen de verticale lijn en de statige symmetrie. Die middenpartij, de omlijsting van het middenvenster boven de voordeur, bestaat uit in rococostijl aangebrachte zandstenen elementen van de vier jaargetijden. Het sterkste horizontale element wordt gevormd door de zware, geprofileerde, horizontale, houten kroonlijst met gesneden rococo consoles boven de gevel. De indeling van de ramen is niet meer oorspronkelijk. Het fraaie interieur wordt zeer uitgebreid beschreven op de site van het Historisch Museum Arnhem; klik achtereenvolgens onderaan op de roze driehoek van start, vervolgens op gebouw, gebouw,wandeling.
|
 |
Burgerweeshuis Deuromlijsting
|
Caderius van Veen, D. & Ploeg, H. van der (1996). Verliefd op Arnhem. Deel 2. Arnhem: Arnhemse Courant/Gelders Dagblad. p. 63.
Graswinckel, D.P.M., Een wandeling door Arnhem in vroegere eeuwen. In: Arnhem Zeven Eeuwen Stad. Officieel gedenkboek. Hijman, Stenfert Kroese en Van der Zande N.V. Boekverkoopers, Arnhem, 1933. pp. 141-143.
Markus, A., Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw met geschiedkundige aanteekeningen. Arnhem: Gijsbers & Van Loon,1975; ongewijzigde herdruk van de uitgave uit 1906. pp. 284.
Staats Evers, J.W. (1868). Beschrijving van Arnhem. Arnhem: Nijhoff & Zn. pp. 138-139.
|