Startpagina
Geschiedenis tot 1900
Geschiedenis 1900 - heden
Vesting Arnhem
Monumenten binnenstad
Monumenten buitenstad
Kerk, Klooster, Graf
Scholen
    Arnhemse Buitenschool
    Christelijk Lyceum Utrechtseweg
    Witte School
Straten en Pleinen
Sonsbeek en Zijpendaal
Architecten
Verdwenen monumenten
Ambacht en Industrie
Verkeer en Vervoer
Kaarten en Plattegronden
Gezichten op Arnhem
Arnhemmers
Bronnen
Thema's
Wandelen en Fietsen
Sitemap
Contact

Chr Lyc - Van Lingen College - Montessori

Inhoud

Overzicht
Geschiedenis
Tijdgenoten over de school
Beschrijving
Literatuur


 

Christelijk Lyceum 1926



Naar boven

Overzicht

Naam: Christelijk Lyceum / Van Lingen College / Montessori College
Adres: Utrechtseweg 174, Arnhem (bij gebruik in 1925: Utrechtseweg 88)
Bouwjaar: 1924-1925
Stijl: Amsterdamse School
Architect: Evert-Jan Rot(s)huizen (1888- 1979) en Folkert Wind
Gebruikershistorie:
1925-1964: Christelijk Lyceum
1964-1982: Christelijk Atheneum
1983-1997: Van Lingen College
1997-2002: Gelders College
2003-2004: Gelders Mozaïek College
2005-2006: leegstand
vanaf zomer 2006: renovatie en nieuwbouw; GAJ Architecten Arnhem
2007: Montessori College



Naar boven

Geschiedenis

Op 8 december 1864 werd het eerste christelijke gymnasium in Nederland opgericht in Zetten (Over-Betuwe) door dominee F.L.C. van Lingen. De school zou vijfentwintig jaar lang de enige christelijke school voor voortgezet onderwijs in Nederland zijn.
In september 1908 vond de verhuizing van de Betuwe naar Arnhem plaats. Tot de nieuwbouw aan de Utrechtseweg vond de school een onderkomen in de Kastanjelaan 40 (tot 1912) en later op Parkstraat 33. In oktober 1919 werd de toevoeging ‘Gymnasium’ veranderd in ‘Lyceum’.

Voor de bouw van een nieuw schoolgebouw werd een beroep gedaan op de architecten E.J. Rothuizen en F. Wind. In december 1925 werd het gebouw in gebruik genomen. De plechtige en feestelijke opening vond een maand later plaats, op woensdag 6 januari 1926. De school telde toen circa 184 leerlingen, waaronder 38 meisjes.
In augustus 1941 werd het gebouw door de Duitse bezetter gevorderd. Het werd de behuizing van het ingenieursbureau van de Duitse Luftwaffe, het bureau ‘Y-Arnheim’ met als directeur dr. J.A. Schaeder. Leerlingen en het docentencorps zwierven in de oorlogsjaren door de stad om onderwijs te volgen en te geven (Bovenbeekstraat, Rijnstraat en Bloemstraat in de oude ULO-school).
Na de oorlog moest het gebouw hersteld worden. Met een feestavond in de stadsschouwburg op 26 september 1946 werd de heropening feestelijk gevierd.
Het aantal leerlingen op de school groeide en bij het gebouw werden in 1956 en 1957 houten noodlokalen geplaatst. Toen dat ook niet voldoende was, ging men over tot het bouwen van een geheel nieuw gebouw aan de andere kant van de stad, aan de Bernhardlaan.
In 1964 werd die nieuwe school geopend en het gebouw aan de Utrechtseweg werd omgedoopt tot Christelijk Atheneum. In datzelfde jaar werd het 100-jarig bestaan gevierd met de opvoering van de revue ‘Sola Schola’ op 14, 15, 16 en 17 december in de stadsschouwburg.

De grote onderwijsveranderingen vanaf de jaren tachtig van de 20ste eeuw gingen aan de school niet voorbij. Invoering van de basisvorming en de drang naar bestuurlijke fusies, samengaand met een teruglopend leerlingenaantal in het verzorgingsgebied van het Christelijk Atheneum, resulteerde in 1983 in een fusie met de Van Limburg van Stirum School (eerst MMS, later MAVO). De naam werd, naar de oprichter, ‘Van Lingen College’. Rond 1987 telde de school - een christelijke scholengemeenschap voor atheneum - HAVO en MAVO dus, 945 leerlingen, 70 docenten en 11 medewerkers van het niet-onderwijzend personeel.
Vijftien jaar na deze fusie ging de school samen met het Katholiek Gelder Lyceum (locatie Warnsbornlaan) en werd gekozen voor de naam ‘Gelders College’. In het gebouw aan de Utrechtseweg werd de VMBO-afdeling van de nieuwe fusieschool gevestigd. HAVO en Atheneum verhuisden naar de locatie van het vroegere KGL aan de Warnsbornlaan.
Niet veel later werd de school ondergebracht in een nog grotere scholengroep met de naam Gelders Mozaïek.
Met de gemeentelijke herhuisvesting van alle scholen voor het voortgezet onderwijs in Arnhem-Noord verhuizen de leerlingen en leraren van de VMBO-afdeling aan de Utrechtseweg in 2004 om tenslotte in 2006 een nieuw gebouw aan de Thomas à Kempislaan te betrekken.
De HAVO/VWO-afdeling krijgt de naam Beekdallyceum en neemt in 2006 haar intrek in het volledig vernieuwde voormalige gebouw van het voormalige Christelijk Lyceum Arnhem aan de Bernhardlaan.

Na jaren van wikken en wegen, werd besloten om de Montessori-afdeling (vestiging Stationsweg in Oosterbeek) van de Mozaïek-scholengroep vanaf 2007 in het gebouw aan de Utrechtseweg te huisvesten. Een grootscheepse renovatie en nieuwbouw bleek noodzakelijk om het gebouw aan de eisen des tijds en het grote aantal leerlingen aan te passen. In januari 2007 werden bij de renovatie grote hoeveelheden asbest in het gebouw aangetroffen, waardoor de verbouwingskosten stegen en het werk meer tijd vergde.
De HAVO-bovenbouw van het nieuwe Montessori College vindt, in afwachting van de realisering van de verbouwing, in 2006 en 2007 een tijdelijke behuizing in de villa aan de overkant van de Utrechtseweg.


 

Christelijk Lyceum, WO II De mannen van 'Y-Arnheim' voor de ingang van het gebouw van het Christelijk Lyceum. Links Dr. J.A. Schaeder, rechts Dipl. Ing. W. Fricke



Naar boven

Tijdgenoten over de school

Architect Folkert Wind over het nieuwe gebouw, 1925
“Op een der hoogste punten van Arnhem, vanuit de Betuwe op grooten afstand zichtbaar, is ons nieuwe gebouw verrezen. Zooals bij alles, menschen en dingen, trekt het uiterlijk allereerst onze aandacht en verrast door de lijn van rust, van massieve rust, die ons oog als vanzelf beter de gelegenheid geeft, ieder onderdeel, tot zelfs het kleinste, met nauwkeurigheid gade te slaan. Dan valt ons op, hoe aan dit zoo massieve gebouw de tinten van zijn diep donkere pannen, zijn grijzen klokketoren en kalm-rooden steen een evenwichtige harmonie vormen, waarin de mooie breede ramen als zooveel lichtplekken de massieve geslotenheid onderbreken.
Het gesloten karakter, dat ons gebouw draagt, is het symbool van zelfinkeer. De ingang, dat is de plek, waar ons oog voortdurend heen wordt getrokken, ondanks de nauwkeurige waarneming van al het omringende; dat is het belangrijkste deel van den gevel. De ingang, die door zijn trapsgewijze vernauwing een tot binnentreden noodigend gebaar maakt, wijst den jongen menschen den toegang en den weg tot het innerlijk der dingen, tot zelfinkeer, die voor ieder mensch moet leiden tot het waarachtig leven.
De hall die wij daarna betreden, is eenigszins duister. ’t Is ook niet te verwachten, dat zij , die voor het eerst den drempel overschrijden, onmiddellijk het volle licht deelachtig zullen worden; wel wordt daar in die mooi afgewerkte hall de illusie geboren, dat men, al hooger komende, het licht helderder zal zien. En wie hooger klimt, zal zijn moeite ruimschoots beloond zien, wanneer hij, bij het betreden der teekenlokalen, even stil staat om te aanschouwen de lichtzee, die daar binnengolft. Zoo is de gang van duisternis tot licht!
Toch kan zoo nu en dan het schemerlicht beneden in de hall den binnentredende angstig stemmen. Dan wordt de kroon ontstoken, een fraai geschenk der leeraren. Zoo moet de zorgvolle helpende hand der opvoeders de jeugd van uit het duister brengen naar het licht.


De werkplaatsen, lokalen, hebben juist die afmetingen, welke practisch voldoende zijn en tegelijk zekere intieme gezelligheid toelaten. Toch zijn ze streng van kleur en lijn gehouden, zonder veel speelsche afwijkingen, die in leslokalen niet op hun plaats zijn. Waar eenige vrijheid geoorloofd is, kan men ook eenige afwijking toestaan. Zoo vertoonen b.v. de gangen een geestig profiel, terwijl de oranje kleur even het stemmige zwart-groen van de leslokalen doet vergeten. Deze laatste, in verbinding staande met korte gangen, zijn symmetrisch om de lichtruimte gegroepeerd, waardoor men zich in dit groote gebouw binnen enkele minuten volkomen thuisvoelt.
Terecht vinden de vertrekken der toezichthebbenden aan het eind der gangen, waar men zich in ’t centrum der vleugels bevindt. De rector, die tevens het contact met de buitenwereld moet onderhouden, heeft zijn lokaal beneden, dicht bij den ingang.
In het midden der verdieping, op een hoogte, dit toelaat, dat men over het gewoel van het dagelijksch leven heen ver vooruit kan zien, is de kamer der docenten ontworpen. Aan de inrichting ervan is veel zorg besteed en terecht. De plaats, waar de leeraren voor en na het volbrengen van hun taak vertoeven moet aan bepaalde eischen voldoen. In elk geval moet ze, symbolisch gedacht, gelegenheid geven hun blik te verruimen en zich boven de beslommeringen van het dagelijks leven te stellen. Dit lokaal voldoet zeker aan den eisch.
Geen zon en minder licht dan elders treedt binnen in het gymnastieklokaal. Houdt de inrichting hiervan eenerzijds rekening met practische eischen, anderzijds is het niet aan twijfel onderhevig, of daar, waar de mensch zich voelt in het bezit van lichaamskracht, jeugd, gezondheid, hij het zonder zon van buiten kan stellen. Een gymnastieklokaal zij ruim en massief. En het onze is het!
Boven het gymnastieklokaal bevinden zich de teekenlokalen, die men bereikt door de traphall, waarin de hooge, vroolijk gekleurde glas-in-lood-ramen licht, leven en blijheid brengen.
Op het hoogste punt gekomen, wordt ieder getroffen door de lichtmassa, die den binnenkomende even overweldigt. ’t Is, of de oneindige ruimte, die men door de reusachtige spiegelruiten aanschouwt, zich hier verliest. Ons Lyceum mag er zijn. Vele groote en goede denkbeelden zijn er in verwerkt, om het tot een harmonisch geheel te maken. Mogen latere jaren getuigen, dat het niet vergeefs werd gebouwd!”

F. Wind
Arnhem, 27 October 1925.



Naar boven

Beschrijving

In het begin van de twintigste eeuw stond op de relatief smalle strook grond tussen de spoorlijn en de Utrechtseweg de imposante villa ‘Schoonheuvel’. Bij de bouw van de school werd de grondvorm van deze villa, een verhoogd middengedeelte en twee zijvleugels, aangehouden.
De school moest een bastion van kennis zijn en dat is te zien. Het gebouw heeft, mede door het gebruik van donkere bakstenen, de strakke symmetrie, het schuin oplopende gesloten dak en de rechthoekige ramen, een massieve, compacte uitstraling. Deze vierkante bakstenen bouw doet denken aan de Amsterdamse School. Doordat de vooruit springende gedeeltes kleine ramen hebben, doen ze eerder denken aan middeleeuwse torens dan speelse erkers. Aan de zijgevels wordt hiermee gebroken en geven de erkers een lichtvoetiger accent aan het gebouw.
De ‘machtige’ uitstraling is ook in het interieur terug te vinden: de hal en het trappenhuis zijn voorzien van rood byzantijns marmer.

Architect Evert-Jan Rothuizen liet in 1939 een ‘s’ in zijn naam aanbrengen en Rothuizen werd Rotshuizen. Andere ontwerpen van zijn hand in Arnhem: Van Löben Selsschool aan de Dalweg (1932), voormalige zwembad Thialf en woonhuizen aan o.a. Izaak Evertslaan 4 (1925), Van Heemstralaan 98 (1933-1934), enz.

Bij de renovatie in 2006 zijn de uitgangspunten de tegenpolen van de oorspronkelijke bouw. Trefwoorden van opdrachtgever Mozaïek Scholengroep aan architectengroep GAJ uit Arnhem (Zijpendaalseweg 25) zijn nu open, licht, rond, speels, kleurrijk, geestelijke vrijheid, enz.


 

Renovatie Montessori College Aanvang najaar 2006, einde zomer 2007.



Naar boven

Literatuur

Aalders, G.J.D. (z.jr./1964). Fata et facta van het Christelijk Lyceum te Arnhem van 1939-1964.
Z.pl./Arnhem: Christelijk Lyceum. Uitgegeven ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de school.

Contactblad Gelders Mozaïek/Montessori, januari 2006, maart 2006.

Dijkerman, P. (1997). Scholen. Honderdvijftig jaar scholenbouw in Arnhem.
Utrecht: Uitgeverij Matrijs. pp. 46-47.

Bigot, L.C.T. (1926). Wetenschap en onderwijs.
In: Baaren, J. van e.a. (red) (1926). Gelderland.
Arnhem: N.V. Van Loghum Slaterus Uitgevers-Maatchappij. pp. 449-480; pp. 466-467.

Gedenkboek van het Christelijk Gymnasium te Zetten / Lyceum te Arnhem.
Arnhem: NV Arh. Boek. Courant Handels Drukkerij (1925). Uitgegeven bij gelegenheid van het 60-jarig bestaan 1864-1924.

Kooger, H. (1987). Rondom den Brink. Zwerven door West-Arnhem.
Arnhem: KEMA. pp. 46-47.



Afbeeldingen: uit bovenstaande literatuur en Gelders Archief.
Foto’s 2006: Stijn de Vries.



Naar boven

Printerversie